stuiteren
Uiterlijk
- stui·te·ren
- frequentatief gevormd uit
stuiten met het achtervoegsel -er [1]
- [3] In de betekenis van ‘knikkeren’ voor het eerst aangetroffen in 1706 [2]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| stuiteren |
stuiterde |
gestuiterd |
| zwak -d | volledig | |
stuiteren
- ergatief herhaaldelijk vanaf een bodem kaatsend opspringen
- Een van de knikkers was van de tafel gestuiterd.
- ▸ Wanneer een druppel vloeistof op een hard oppervlak valt kan hij terug omhoog stuiteren of uit elkaar spatten.[3]
- ergatief (figuurlijk) zich door weerstanden die worden ontmoet schoksgewijs telkens in een andere richting bewegen
- ▸ De enige echte oplossing is in de wereld van tijd en plaats het tijdloze te herkennen. Het bijzondere te ontdekken in het gewone. Stil te staan bij het wonder dat het leven is, ook al verloopt ons levensverhaal dan met hobbels en kuilen, stuiteren onze gevoelens alle kanten op en hebben we allerlei gedachten over hoe het zou moeten en kunnen zijn.[4]
- inergatief (spel) met knikkers spelen
- ▸ Waren ze aan het stuiteren, wat zij graag deden om een knikker voor elk raak schot, dan pakte hij de stuiters af, omdat zij aan het dobbelen waren en om geld speelden, (…).[5]
- overgankelijk (basketbal) (over de bal) van de grond laten opspringen terwijl men zich verplaatst
- ▸ We moesten van hem heel vaak basketballen. Ons probleem was dat we de bal maar zo’n beetje aan het stuiteren waren en nooit iemand anders bij het spel betrokken.[6]
- inergatief (figuurlijk) in opgewonden toestand druk of woest bewegen
- ▸ Terwijl ik puffend mijn aussie losknoopte zag ik enkele vrienden die toch echt tegen de vijftig liepen nog steeds vrolijk over de dansvloer stuiteren.[7]
- Het woord stuiteren staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "stuiteren" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[8] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ "stuiteren" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Weblink bron Dorine Schenk“Ribbels als choreograaf van de druppel” (5 maart 2019) op nrc.nl
- ↑
Weblink bron Paul Bataille“Brieven : Sta stil bij het leven” (19 februari 2022) op nrc.nl
- ↑
Weblink bron C.J. Kieviet“Toen Dik Trom een jongen was.”, 4e druk, Valkhoff & Co 1919, Amersfoort, p. 7 - ↑
Weblink bron Paulien Cornelisse“Pass” (15 april 2017) op nrc.nl
- ↑
Weblink bron Ellen Deckwitz“Meer tijd” (26 februari 2024) op nrc.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Frequentatief in het Nederlands
- Achtervoegsel -er in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Ergatief werkwoord in het Nederlands
- Figuurlijk in het Nederlands
- Inergatief werkwoord in het Nederlands
- Spel in het Nederlands
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Basketbal in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %