Naar inhoud springen

struiken

Uit WikiWoordenboek
  • strui·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
struiken
struikte
gestruikt
zwak -t volledig

struiken

  1. (beschrijvende plantkunde) een struik gaan vormen, dicht bij de grond scheuten of blaadjes krijgen
    • Door het mooie weer begon het gras al vroeg in het jaar te struiken. 
     Er waren geen zichtbare remsporen, dus na een kort onderzoek concludeerden de instanties dat de automobilist de waarheid sprak en dat ze opeens tussen de struiken was opgedoken en op de weg was gaan staan, zodat de automobilist met volle snelheid tegen haar op was geknald.[1]
     Tegen de middag bereikten we een donker en ontoegankelijk eikenbos met struiken en hoge varens.[2]
  2. (verouderd) struikelen
    • Geen mens is zo wijs, of hij struikt wel op 't gladde ijs. [3]

destruikenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord struik
     Ik liep over rotsige bergen, begroeid met struiken en cactussen.[4]
98 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[5]
  1. Manik Sarkar
    “Ossenkop” (2024), Hollands Diep, ISBN 9789048862696
  2. “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  3. naar:
    Pers, D.P.
    Bellerophon, of Lust tot Wysheyd (1614)
  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be