structureel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • struc·tu·reel
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen structureel structureler structureelst
verbogen structurele structurelere structureelste
partitief structureels structurelers -

Bijvoeglijk naamwoord

structureel

  1. met betrekking tot de opbouw van een geheel
  2. uiteindelijk, niet-tijdelijk (bij financiën: het uiteindelijke periodieke bedrag)
    • De wet Hillen wordt vanaf 2019 in 20 jaar afgeschaft. Dit is een lastenverzwaring van 0,1 mld euro in 2021 en 1,1 mld euro structureel.  
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen