stroompje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stroom·pje
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

stroompje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord stroom

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.