strooisel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[2] strooisel
Uitspraak
Woordafbreking
  • strooi·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord strooisel strooisels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

strooisel o [1]

  1. alles wat gestrooid kan worden zoals bloemen voor de bruid, zout op de weg bij gladheid en snoepgoed bij het sinterklaasfeest.
    • Het begrip chutney is moeilijker in één definitie te vangen. Er vallen zowel zoete, jam-achtige fruitcompotes onder als pasta’s op basis van groene kruiden, en zelfs vrij droge kokos- of pinda-strooisels worden soms chutney genoemd. Wat ze gemeen hebben is dat ze goed heet zijn, en bedoeld om mondjesmaat van op te scheppen. [2] 
    • Ook 30.000 kippen van een boerderij die op minder dan een kilometer afstand ligt, worden preventief geruimd, zo heeft het ministerie van Economische Zaken op Eerste Kerstdag gemeld. Om verspreiding te voorkomen mogen er in een straal van tien kilometer geen pluimvee, eieren, pluimveemest en gebruikt strooisel vervoerd worden. [3] 
  2. humuslaag in een bos of kas
    • Over de oorzaak is nog niets te zeggen. Aerts: „Voor ons kwam deze bacterie als een donderslag bij heldere hemel. Wij als telers zijn het meeste bang voor de insecten die de oogst kunnen vernietigen. Daartegen gebruiken we biologische bestrijdingsmiddelen.” Hij pakt een zakje strooisel van de grond, een kweek met zemelen waarop schimmels zijn geënt. Daaruit kruipen roofmijten door een klein gaatje tevoorschijn. Zulke soorten zwermen vervolgens preventief in de kas. Ze eten schadelijke insecten op, zoals trips, luis, witte vlieg en spint. [4] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Janneke Vreugdenhil 20 april 2010
  3. NRC 26 december 2016
  4. NRC Arjen Schreuder 30 mei 2011