stronk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stronk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘boomstomp’ voor het eerst aangetroffen in 1350 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord stronk stronken
verkleinwoord stronkje stronkjes

Zelfstandig naamwoord

stronk m

  1. boomstronk (stobbe), onderste dikke stamdeel van een boom.
    • Paul Kruzen spuwde in zijn handen, greep de steel vast en hief de bijl boven zijn hoofd. De stronk op het hakblok spleet maar barstte niet uit elkaar. [3] 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen