stroboscopisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stro·bo·sco·pisch
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

  1. (van licht) flitsend met een hoge frequentie
    • En zo zit de productie vol verwijzingen: beschermengelen, doodsfaunen, veren als zinnelijkheidssymbolen, gifbekers die, stroboscopisch oplichtend, aan de dood herinneren. [2]
    • In die twintig jaar zagen we de voetbalwereld veranderen. Natuurlijk, er kwam wifi in het stadion en overal zie je negentig minuten lang schermpjes oplichten. (…) Er kwam een stroboscopische lichtshow voor de wedstrijd, en dit seizoen ook na ieder doelpunt. [3]
  2. partitief van de stellende trap van stroboscopisch
    • Het licht dat door de bomen scheen, kreeg iets stroboscopisch door de snelheid van de trein. 

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Verwijzingen