stralen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stra·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zakken voor examen’ voor het eerst aangetroffen in 1935 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stralen
straalde
gestraald
zwak -d volledig

Werkwoord

stralen inergatief

  1. inergatief straling uitzenden
    • De zon straalt bijzonder helder vandaag. 
  2. inergatief licht weerkaatsen
    • De maan straalt bijzonder helder vannacht. 
  3. inergatief een heel blije uitdrukking op het gezicht hebben
    • Na zijn spectaculaire prestatie straalde hij helemaal. 
    • Zijn hele wezen scheen te stralen van plezier. [3] 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

stralen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord straal
Hyponiemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen