stoor

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stoor

Werkwoord

vervoeging van
storen

stoor

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van storen
    Ik stoor.
  2. gebiedende wijs van storen
    Stoor!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van storen
    Stoor je?


Afrikaans

Werkwoord

stoor

  1. opslaan