stooksel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stook·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stooksel stooksels
verkleinwoord stookseltje stookseltjes

Zelfstandig naamwoord

stooksel o [1]

  1. sterke drank gemaakt in een stokerij
    • Naast de opening van de nieuwe vestiging hebben de brouwers nog meer nieuws te delen. Ze gaan ook distilleren midden in de stad. Inmiddels staan de houten vaten met eigen stooksels in de brouwerij aan de Linnaeusstraat te rijpen. Het is de bedoeling dat er straks zelfgebrouwen gin geschonken wordt, volgens eigen recept. [2] 
    • In het kielzog van gin - een regelrechte afgeleide van jenever - herovert ook het oer-Hollandse stooksel de laatste tijd gelukkig menige kroeg, restaurantbar en hipsterfestival. [3] 
    • Hij heeft ook een nieuwtje. “Voor in de Haagse Post.” Hij brouwt met kompaan Jules Deelder een eigen gin. “Sjuul noem gin al snel een wijvendrankie, of vruchtwater.” Dit stooksel bevat 44,91 procent alcohol — Deelders geboortejaar 1944 maar dan andersom — en bevat een flinter alruin, een peper uit Zuid-Amerika en wat absintalsem, bekend van de hallucinerende ‘Groene Fee’ die Vincent van Gogh naar verluidt zijn linkeroor deed afsnijden. [4] 

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.


Verwijzingen