stonk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stonk

Werkwoord

vervoeging van
stinken

stonk

  1. enkelvoud verleden tijd van stinken
    • Ik stonk. 
    • Jij stonk. 
    • Hij, zij, het stonk. 

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be