stolt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stolt

Werkwoord

vervoeging van
stollen

stolt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stollen
    • Jij stolt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stollen
    • Hij stolt. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van stollen
    • Stolt! 


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • stolt
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Nederduitse bijvoeglijke naamwoord stolt
Naar frequentie 883
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
g enkelvoud stolt stoltere stoltest
o enkelvoud stolt
meervoud stolte
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
stolte stoltere stolteste

Bijvoeglijk naamwoord

stolt

  1. fier, trots
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • ikke stolt ved
niet trots op
  • stolt som en pave
apetrots (letterlijk: trots als een paus)


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • stolt
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord stoltr, dat van het Nederduitse bijvoeglijke naamwoord stolt komt
Naar frequentie 871
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud stolt stoltere stoltest
o enkelvoud stolt
meervoud stolte
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
stolte stoltere stolteste

Bijvoeglijk naamwoord

stolt

  1. fier, trots


Synoniemen
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • stolt
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord stoltr, dat van het Nederduitse bijvoeglijke naamwoord stolt komt
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud stolt stoltare stoltast
o enkelvoud stolt
meervoud stolte
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
stolte stoltare stoltaste

Bijvoeglijk naamwoord

stolt

  1. fier, trots


Synoniemen