stoep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stoep
Woordherkomst en -opbouw
Overerving en ontlening
enkelvoud meervoud
naamwoord stoep stoepen
verkleinwoord stoepje stoepjes

Zelfstandig naamwoord

stoep v/m

  1. meestal stenen verhoging bij de ingang van een woning
    Zij was de stoep aan het boenen.
  2. (verkeer) een vaak verhoogd onderdeel van een weg bedoeld voor voetgangers
    De stoep was onbegaanbaar vanwege de vele losliggende tegels.
    Jaap loopt op de stoep.
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • op de stoep staan
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
stoepen

stoep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoepen
    Ik stoep.
  2. gebiedende wijs van stoepen
    Stoep!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoepen
    Stoep je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl