stoefer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stoe·fer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stoefer stoefers
verkleinwoord stoeferke stoeferkes

Zelfstandig naamwoord

stoefer m [1]

  1. iemand die groot gaat op zichzelf
    • Achterin het programmaboekje steekt een vel papier met een woordenlijstje. Vrijen met dieren wordt door Vlaamse acteurs in het Vlaams gespeeld en een Nederlands publiek mag bepaalde essentiële woorden niet misverstaan. 'Spauwen' bijvoorbeeld is 'kotsen', 'stoefer' is 'bluffer' en 'poepen' betekent 'neuken'. Dat 'pertang' staat voor 'nochtans' zal ons een zorg zijn en dat 'klappen' Vlaams is voor 'praten' weten we allemaal, maar die drie woorden, spauwen, stoefer en poepen, die doen ter zake. Ze maken van een dier een mens en van een mens een dier. [2] 
    • Voor Brussel mogen Boupinh Lam van Le Stoefer, Victoria van Wassenhove van OTAP en Yen Pham van Yi Chan gaan voor de titel. Gent stuurt Frederic Geirnaert van Jigger’s, Oostende wordt vertegenwoordigd door Yoeri De Schepper van Histoire d'O. Thomas Timmermans van Bijou en Sofian Vlaminck van Cocktails at nine verdedigen tot slot de Antwerpse eer. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

20 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen