sticka

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • sti·cka

Zelfstandig naamwoord

sticka g

  1. splinter
  2. naainaald
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   sticka     stickan     stickor     stickorna  
genitief   stickas     stickans     stickors     stickornas  
stamtijd
infinitief verleden
tijd
supinum
sticka
stack
stuckit
volledig

Werkwoord

sticka

  1. steken