sterftecijfer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sterf·te·cij·fer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sterftecijfer sterftecijfers
verkleinwoord (sterftecijfertje) (sterftecijfertjes)

Zelfstandig naamwoord

sterftecijfer o

  1. (demografie) een getal dat aangeeft hoeveel sterfgevallen er in een gebied in een bepaalde tijd hebben plaatsgevonden
    • Het sterftecijfer werd tot onder het normale noodsituatieniveau teruggebracht. 
     Het lijkt zo simpel. Zet de sterftecijfers op een rij, en je krijgt een indruk wie er het beste in is geslaagd het virus een toontje lager te laten zingen. In België, Italië en Spanje ging het mis. In Nederland waren we slechter af dan in de VS. En in Duitsland en China ging het een stuk beter. Toch?[1]
     De strategie heeft in elk geval een negatief effect gehad op het aantal sterfgevallen van het land. Met 43 sterfgevallen per 100.000 inwoners is het sterftecijfer van Zweden wereldwijd een van de hoogste en uit een eerste Zweedse studie naar groepsimmuniteit blijkt dat slechts 7,3 procent van de Stockholmers antistoffen tegen Covid-19 heeft opgebouwd. In veel Europese landen stabiliseert het aantal doden en besmettingen, in Zweden blijft de curve doorlopen.[2]
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Maarten Keulemans en Serena Frijters “Welk land heeft de beste coronastrategie? Vijf lessen over de eerste coronagolf” (21 mei 2020), de Volkskrant
  2. Bronlink Weblink bron “Brein achter omstreden Zweedse coronastrategie geeft fouten toe” (03-06-2020), Tubantia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be