stencil

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sten·cil

Werkwoord

vervoeging van
stencilen

stencil

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stencilen
    • Ik stencil. 
  2. gebiedende wijs van stencilen
    • Stencil! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stencilen
    • Stencil je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be