stemcijfer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stem·cij·fer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stemcijfer stemcijfers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stemcijfer o

  1. (politiek) getal dat men berekend door het aantal stemmen op een partij te vermenigvuldigen met de stemwaarde, dit getal gebruikt men voor het bepalen van het aantal zetel dat een partij in de Eerste Kamer krijgt
     In 1922 werden de regels weer iets veranderd, en werd het huidige stelstel van evenredige vertegenwoordiging ingevoerd: de stemmen van alle Statenleden worden opgeteld en al naar gelang het inwonertal van een provincie krijgen de stemmen een stemwaarde toegekend. De in een provincie uitgebrachte stemmen op een partij worden vermenigvuldigd met die stemwaarde. De uitkomst daarvan is het stemcijfer. De som van alle stemcijfers uit de provincies wordt gedeeld door het aantal zetels (75), de uitkomst daarvan is de kiesdeler.[1]

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 4 oktober 2021 Weblink bron “Senaatsverkiezingen: na 100 jaar nog altijd hoofdbrekens” (23-05-2011), NOS