startuur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • start·uur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord startuur starturen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

startuur o

  1. tijdstip dat iets begint
    • Dagelijks zou een rechtstreeks verslag worden gegeven van het laatste uur, maar dan moesten de aankomsten van de etappes wel net na lunchtijd plaatsvinden. Leulliot ging gretig in op het voorstel omdat de belangstelling van sponsors door de tv-coverage zonder twijfel vergroot zou worden. Een nadeel zou kunnen zijn dat renners en ploegleiders bezwaar zouden kunnen maken tegen het vroege startuur, rondom negen uur. [1] 
    • De Pro League heeft de exacte speeldata voor de eerste zes speeldagen (dus tot en met 10 september) al vastgelegd. Voor alle daaropvolgende speeldagen is uiteraard al bekend wie tegen wie speelt in welk weekend, maar de exacte dag en startuur worden later bepaald in samenspraak met de rechtenhouders. [2] 

Gangbaarheid

68 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen