stapelzot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·pel·zot
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen stapelzot
verbogen stapelzotte
partitief stapelzots

Bijvoeglijk naamwoord

stapelzot [2]

  1. volslagen idioot
    • Hij is de man die gedoemd is krankzinnig te worden terwijl hij de wereld wil redden van een gevaarlijke gek. Elke keer dat hij gillend en grommend en met een gezicht vol zenuwtics stapelzot werd, verhief Herbert Lom deze man tot grote hoogten. [3] 
  2. stapelzot van iemand zijn: iemand heel erg leuk vinden
    • "Wie haar kent, weet dat ze eigenlijk een heel eenvoudig New Yorks meisje is, dat van haar ouders houdt. Ik ben stapelzot van haar. Veel mensen verklaren ons gek, maar zij kennen haar niet", zegt de zanger over de meter van zijn zoon. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen