stankafsluiter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stank·af·slui·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stankafsluiter stankafsluiters
verkleinwoord stankafsluitertje stankafsluitertjes

Zelfstandig naamwoord

stankafsluiter m

  1. een met water gevuld gebogen stuk buis in de vorm van een zwanenhals die verhindert dat de stank van het riool in huis te ruiken is
    • De wastafel werd voorzien van een nieuwe stankafsluiter, omdat de oude lekte. 

Gangbaarheid