stamelaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·me·laar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stamelaar stamelaars
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stamelaar m [1]

  1. iemand die moeilijk uit zijn woorden komt
    • Twee overzichtelijke boeken over alle koningen van Frankrijk en hun genealogische verbintenissen, opgesteld door de historicus Jean-Charles Volkmann, zijn de moeite waard. In het ene deel gaat Volkmann in op alle ’stammen’ en ’stromingen’ die op de Franse troon hebben gezeten. Ze hebben de meest fantastische bijnamen gehad, namelijk de Stamelaar, de Schone, de Geliefde, de Goede, de Korte, de Kale, de Vrome, de Luie, de Dwaze, de Grote, de Dikke, de Stoutmoedige, de Woelzieke, de Jonge, de Rechtvaardige, de Leeuw, de Lange, de Vader des Volks, de Zonnekoning, de Wijze, de Heilige en de Eenvoudige.[2] 
    • Want de 'echte' Kurtág is de autistische stamelaar, de geblokkeerde tragische figuur, die het verzwegene in moeizame relaties tot klinken brengt in intieme muziek voor intimi, die schaamtegevoel opwekt bij de luisteraar: dat wij dáár bij mogen zijn! [3] 
    • Mijn liefde voor Cor Boonstra is onbegrensd. Zoals hij ook gisteren weer, met die grootse zwier van de elder statesman, zijn handtekening plaatste onder een sponsorcontract voor vijf jaar – een gelovige doet hem dat niet na. Dat is nu de kracht van de mummelende stamelaar Harry van Raaij: in en via hem wordt de onschuld gesponsord. Terwijl wij allen weten dat PSV een ordinaire, poenerige club is die het almaar heeft over ethiek en rechtvaardigheid en niet eens in staat is nederig te buigen voor de objectieve waarneming van een arbiter als Lopez Nieto. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.

Verwijzingen