stagflatie
Uiterlijk
- Geluid: stagflatie (hulp, bestand)
- stag·fla·tie
- In de betekenis van ‘hoge inflatie en geringe economische groei’ voor het eerst aangetroffen in 1974 [1]
- Portmanteau van stagnatie en inflatie.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | stagflatie | stagflaties |
| verkleinwoord | - | - |
de stagflatie v
- (economie) situatie waarbij tegelijkertijd sprake is van economische stagnatie en van inflatie
- Vanuit een hoogconjunctuur komt een economie terecht in een fase van stagflatie.
1.
- Het woord stagflatie staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "stagflatie" herkend door:
| 31 % | van de Nederlanders; |
| 39 % | van de Vlamingen.[2] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ "stagflatie" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 10
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Economie in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 31 %
- Prevalentie Vlaanderen 39 %