stadgenoot

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stad·ge·noot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stadgenoot stadgenoten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

stadgenoot m

  1. iemand die in dezelfde grote plaats woont
    • Weet je, dat Vic van Vriesland je stadgenoot wordt? [2]
  2. iemand die in dezelfde grote plaats is geboren
    • Voor het geval u daar een vriend heeft die van plan is naar Frankfurt te gaan, zou ik het op prijs stellen als die het geld overbrengt aan de boekhandelaar Johann Froben, mijn stadgenoot, eveneens met zo min mogelijk verlies voor mij. [3]
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen