staander

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

staander in een stal
Uitspraak
Woordafbreking
  • staan·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord staander staanders
verkleinwoord staandertje staandertjes

Zelfstandig naamwoord

staander m

  1. (bouwkunde) iets wat een voorwerp stevigheid geeft in de verticale of lengte richting en dan met name drukkrachten kan opvangen
    • Twee oudere, breedgebouwde volkstuinders die zich verhuurden als klusser braken de oude muren af tot er alleen een geraamte van staanders resteerde. Dit skelet werd opnieuw betimmerd met tropisch hardhout (ze spraken van rabathout, omdat de planken voorzien waren van bepaalde groeven en geschulpte randen). [2] 
    • De vorm van een DNA-molecuul lijkt, zoals iedereen weet, op een wenteltrap of een gedraaide touwladder: de bekende dubbele helix. De staanders van deze structuur zijn gemaakt van een soort suiker dat desoxyribose wordt genoemd, en het geheel van de helix is een nucleïnezuur — vandaar de benaming desoxyribonucleïnezuur. [3] 
    • De grootste kamer in het huis, waar ook nog een sofa stond, maar vooral: een imposant schrijfmeubel in kersenhout, met daarop een enorme onderlegger in groen vilt met zwartlederen rand, allerlei knip-, plak- en schrijfgerief in lederen etuis, alles altijd precies op dezelfde plaats. Net als de grote bureaulamp met groene stoffen kap en staander in geribbeld messing, met een witte bakelieten schakelaar.[4] 
  2. een persoon die staat
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Valens, Anton Het compostcirculatieplan [2016] ISBN 978-90-254-4685-7 pagina 69
  3. Bryson, Bill Een kleine geschiedenis van bijna alles Vertaald door Servaas Goddijn [2015] ISBN 978-90-450-2987-0 pagina 520
  4. de Standaard DONDERDAG 1 JUNI 2017