spui

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spui
enkelvoud meervoud
naamwoord spui spuien
verkleinwoord spuitje spuitjes

Zelfstandig naamwoord

spui o

  1. uitlaat of sluis voor de verwijdering van overtollig water

Werkwoord

vervoeging van
spuien

spui

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spuien
    • Ik spui. 
  2. gebiedende wijs van spuien
    • Spui! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spuien
    • Spui je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Meer informatie