sprokkelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
[1]: En man en een vrouw sprokkelen hout

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sprok·ke·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘takken bijeenzamelen’ voor het eerst aangetroffen in 1357 [1]
  • Afgeleid van sprokkel met het achtervoegsel -en of een frequentatieve vorm van het verouderde sprocken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sprokkelen
sprokkelde
gesprokkeld
zwak -d volledig

Werkwoord

sprokkelen [2]

  1. overgankelijk losliggend hout zoeken voor een vuur
    • Er waren vrij veel stronken en takken gesprokkeld en het vuur brandde de hele nacht en hield de kampeerders warm. 
  2. overgankelijk kleine beetjes of waren vergaren bij anderen zonder tegenprestatie of betaling
  3. inergatief valsspelen
    • Het bleef zijn medeleerlingen onopgemerkt dat hij tijdens de hardloopwedstrijd in de laatste meters gesprokkeld heeft door de bocht af te snijden. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen