sprinter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[1] sprinter klaar voor de start
[2] Zoetermeer sprinter
Uitspraak
Woordafbreking
  • sprin·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sprinter sprinters
verkleinwoord sprintertje sprintertjes

Zelfstandig naamwoord

sprinter m [2]

  1. iets of iemand die heel snel korte afstanden kan afleggen
    • Voorafgaand aan zijn winnende 1.000 meter huppelde hij minutenlang zenuwachtig door de catacomben van de Oval. Nog eens spieren losmaken die allang los waren. “Natuurlijk ben je zenuwachtig.” Hij had op de wedstrijddag steun aan Jan Smeekens, zijn ploeggenoot die een dag eerder ook al zijn eerste wereldtitel pakte, op de 500 meter. De sprinter hielp hem bij de warming-up. “Jan is een enorme gentleman”, loofde Nuis. [3] 
  2. een type stoptrein
    • De NS zegt in een reactie dat hoewel ConsumentenClaim al langer met een rechtsgang dreigde, men niettemin geschrokken is van de claim. Een woordvoerder spreekt van “Amerikaanse toestanden”. “De afgelopen periode hebben we ontzettend veel maatregelen genomen om de drukte het hoofd te bieden, waaronder de aankoop van 62 nieuwe sprinters”, aldus de NS. “Daarover staan we ook in nauw contact met reizigersorganisatie Rover. Drukte hoort er helaas bij in de spits in Nederland. ConsumentenClaim reduceert dit nu tot een kwestie van geld, en dat vinden wij jammer.” [4] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. sprinter op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. NRC Maarten Scholten 11 februari 2017
  4. NRC Clara van de Wiel 26 januari 2017