sprinten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sprin·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sprinten
sprintte
gesprint
zwak -t volledig

Werkwoord

sprinten

  1. inergatief een kort stuk hard rennen
    • Er werd die middag niet gesprint omdat het hard regende. 
  2. ergatief een kort stuk hard ergens heen rennen
    • Hij sprintte naar de overkant. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie