sprinten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sprin·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sprinten
sprintte
gesprint
zwak -t volledig

Werkwoord

sprinten

  1. (inergatief) een kort stuk hard rennen
    Er werd die middag niet gesprint omdat het hard regende.
  2. (ergatief) een kort stuk hard ergens heen rennen
    Hij sprintte naar de overkant.
Verwante begrippen

Meer informatie