spreekuur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spreek·uur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spreekuur spreekuren
verkleinwoord spreekuurtje spreekuurtjes

Zelfstandig naamwoord

spreekuur o

  1. de tijd waarin een hulpverlener patiënten te woord staat
    • Als je hier morgen nog last van hebt kan je maar beter op het spreekuur van je huisarts langsgaan. 
  2. een inloopspreekuur is een spreekuur waarvoor geen afspraak hoeft te worden gemaakt.
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be