spreek
Uiterlijk
- spreek
| vervoeging van |
|---|
| spreken |
spreek
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spreken
- Ik spreek.
- gebiedende wijs van spreken
- Spreek!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spreken
- Spreek je?
- ▸ Dat heeft Van de Laar overgenomen van Boer, zegt hij. "Ik sta, terwijl ik met jullie spreek, buiten kruiden te plukken. Wat ik van hem heb geleerd, is altijd werken met pure smaken en met de natuur om je heen. Maar ook om altijd 100 procent te geven."[1]
- ▸ Ach, kom op Hannah, spreek ik mezelf toe, je laat je door zo'n jonge vrouw toch niet van de kaart brengen? Zeg haar gewoon dat het goed is te botsen met je therapeut, dat dat is waar therapie in de kern over gaat.[2]
- Het woord spreek staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑
Weblink bron “Topchefs geschokt door dood Jonnie Boer: 'Hij leerde mij alles'” (23 april 2025), NOS - ↑ Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
| stamtijd | |
|---|---|
| infinitief | voltooid deelwoord |
| spreek |
gespreek |
| volledig | |
spreek