sprankje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sprank·je
enkelvoud meervoud
naamwoord
verkleinwoord sprankje sprankjes

Zelfstandig naamwoord

sprankje o dim. tant.

  1. opflikkering, vonkje
    • Dat gaf hem weer een sprankje hoop. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

sprankje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord sprank

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be