spraakleer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spraak·leer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spraakleer spraakleren
verkleinwoord spraakleertje spraakleertjes

Zelfstandig naamwoord

spraakleer v/m

  1. een stelsel van regelmatigheden die optreden in een taal
    • Kinderen leren een taal zonder zich bewust te zijn van enige spraakleer. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be