spotlust

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spot·lust
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spotlust spotlusten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

spotlust m

  1. zin om iets of iemand te bespotten, spotzucht
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.