sportvisser

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

sportvisser bij een rivier
Uitspraak
Woordafbreking
  • sport·vis·ser
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sportvisser sportvissers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sportvisser m [1]

  1. iemand die vist voor zijn hobby
    • De sportvissers zien ook baat in een totaal meeneemverbod, iets waar de meeste zich ook nu al - zonder verplichting - aan houden.[2] 
    • Met de hulp van een toevallig passerende collega-sportvisser hengelde hij zijn grootste vangst tot nut toe wel binnen. ,,Ik heb meteen mijn vriendin en de kinderen gebeld om ze het te laten zien. Dit moesten ze meemaken. Na een half uurtje fotograferen en meten liet hij de vis weer in het water. ,,De meerval zwom meteen weg. Een half uurtje op het droge; daar kunnen ze wel tegen.[3] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard VRIJDAG 6 OKTOBER 2017
  3. Tubantia Harry Hekkert 28-augustus-2017,