sportrecord

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sport·re·cord
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sportrecord sportrecords
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

sportrecord o

  1. (sport) record op sportgebied
    • Ge zult moeten lachen om een sportrecord en uw eigen overtuiging moeten verkondigen ten aanzien van dood en hiernamaals.[1] 

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. IJmuider Courant, 26 augustus 1954