sportmens

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sport·mens
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sportmens sportmensen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sportmens m

  1. iemand wiens leven voor een belangrijk deel in het teken van de sport staat
    • "Mijn felicitaties voor allebei, @rogerfederer en @RafaelNadal! Zulke grote sportmensen en zulke ongelooflijke persoonlijkheden", meldde Real-voetballer Toni Kroos via Twitter. "Dank jullie wel, allebei. Zo inspirerend", aldus Juan Martin del Potro, die Federer ooit in de US Open-finale van 2009 op verrassende wijze versloeg. [1] 
    • Graag wil ik iets toevoegen aan de column van Rob Hoogland ’Meisjesachtig’, waarin hij met ’gendervijandige woorden’ de discussie over genderneutraliteit op de hak neemt. Bij Jinek (28/7) zitten ’kleine’ sportmensen de gehele uitzending te kletsen over het feit dat zij geen dwergen zijn maar ’kleine’ mensen. [2] 
    • Het zal mij daarom dan ook benieuwen hoeveel mensen nog een duur kaartje willen aanschaffen voor de vriendschappelijke (?) wedstrijd van dinsdag tegen Roemenië. Een wedstrijd die nergens om gaat, ook niet om afscheid te nemen van bepaalde sportmensen. [3] 
Synoniemen
Hyponiemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.


Verwijzingen