sportdeelname

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sport·deel·na·me
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sportdeelname sportdeelnames
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sportdeelname v/m

  1. het meedoen aan sport
    • De sportdeelname wordt steeds groter in Nederland de afgelopen decennia. 

Gangbaarheid