sporen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spo·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sporen
spoorde
gespoord
zwak -d volledig

Werkwoord

sporen

  1. met de trein reizen
    • De forensen sporen omdat er op de weg teveel files staan. 
  2. erbij passen
    • De nieuwe medewerkers sporen niet met de huidige bedrijfscultuur. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

sporen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord spoor
  2. meervoud van het zelfstandig naamwoord spore

Verwijzingen