sporen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spo·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sporen
spoorde
gespoord
zwak -d volledig

Werkwoord

sporen

  1. met de trein reizen
    • De forensen sporen omdat er op de weg teveel files staan. 
  2. erbij passen
    • De nieuwe medewerkers sporen niet met de huidige bedrijfscultuur. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

sporen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord spoor
  2. meervoud van het zelfstandig naamwoord spore

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen