sporadisch

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spo·ra·disch
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen sporadisch sporadischer
verbogen sporadische sporadischere
partitief sporadisch sporadischers -

Bijvoeglijk naamwoord

sporadisch

  1. (medisch), (biologie) niet algemeen voorkomend, zeldzaam
    • Er zijn sporadische gevallen van deze ziekte geconstateerd, maar een epidemie is niet waarschijnlijk. 
Vertalingen

Bijwoord

sporadisch

  1. zelden voorkomend
    • Deze ondersoort komt nog sporadisch op het vasteland voor. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.