spitsheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spits·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spitsheid spitsheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

spitsheid v

  1. scherpzinnigheid, gevatheid
    • De voorstelling wordt muzikaal gekenmerkt door milde spitsheid en zorgvuldige contrasten, met liefde en smaakvol gevoel voor effect opgebouwd vanuit het pianissimo door Rossini-specialist Alberto Zedda. [1] 
    • Hij schrijft dialogen van een spitsheid die doet denken aan het werk van J.D. Salinger, een voorbeeld dat hij zijdelings ook noemt. [2] 
    • En dan laat de scherpte en spitsheid die zijn polemiek met het atheïsme kenmerkt het plotseling afweten. Wanneer het over zijn eigen religieuze ervaring gaat, komt McGrath niet verder dan wat bleke platitudes. [3] 
  2. het scherp zijn van een punt
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. NRC Kasper Jansen 5 oktober 1991 Vakbondsactie bij Barbier: boe vooraf, bravo toe
  2. NRC Hans Goedkoop 22 september 1995 Een tedere satan; Debuut van Nanne Tepper over de macht van het verleden
  3. NRC Ger Groot 17 juni 2005 Op één kussen
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be