spijkeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spij·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spijkeren
spijkerde
gespijkerd
zwak -d volledig

Werkwoord

spijkeren

  1. overgankelijk bevestigen door middel van spijkers
    • Het was niet kant-en-klaar, dus hij moest het helemaal zelf in elkaar spijkeren. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • De spijker op de kop slaan
het goede antwoord geven of oplossing vinden op het goede moment
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie