spelemeien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spe·le·mei·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spelemeien
spelemeide
gespelemeid
zwak -d volledig

Zelfstandig naamwoord

spelemeien

  1. (dichterlijk) zich in het voorjaar op het land of het water vermaken; de meiboom gaan planten
    «Hij schilderde het dagelijksch leven der Prinses, hij bezong Den Haag, hij vertelde van de feesten op den blijden dag, toen watergoden spelemeiden op den Hofvijver en vergat noch de herten in het Bosch, noch de zwanen in het Spui.[4]»


Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. spelemeien op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 3 april 2022 Weblink bron I.M. Calisch, N.S. Calisch “Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal”, beschouwd als 1e druk van Van Dale (1864), H.C.A. Campagne, Tiel, p. 1242
  4. Nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië; 5 februari 1938