speech

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • speech
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘redevoering’ voor het eerst aangetroffen in 1688-1696 [1]
  • van het Engels [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord speech speeches
speechen
verkleinwoord speechje speechjes

Zelfstandig naamwoord

speech m

  1. redevoering, toespraak, rede, mondelinge voordracht in het openbaar
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
speechen

speech

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van speechen
    • Ik speech. 
  2. gebiedende wijs van speechen
    • Speech! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van speechen
    • Speech je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudengelse sprǣċ.
enkelvoud meervoud
speech speeches

Zelfstandig naamwoord

speech

  1. toespraak
  2. conversatie
  3. spraak


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

speech m

  1. (spreektaal) praatje, toespraak
    «Je passe à table chez elle et je lui tape un speech
    Ik ga bij haar aan tafel zitten en steek een speech af. [1]

Verwijzingen