spatte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spat·te

Werkwoord

vervoeging van
spatten

spatte

  1. enkelvoud verleden tijd van spatten
    • Ik spatte. 
    • Jij spatte. 
    • Hij, zij, het spatte. 
  2. aanvoegende wijs van spatten