sparren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spar·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • van Engels  spar ww , in de betekenis van ‘boksen zonder doorstoten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1986 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sparren
sparde
gespard
zwak -d volledig

Werkwoord

sparren [3]

  1. inergatief met een tegenstander oefenen (zonder door te stoten), trainen
     Omdat ze ooit een beginnerscursus judo deed en de testosteronspiegel van de Hulk heeft vindt ze zichzelf onverwoestbaar en zo’n fictie is prima in stand te houden zolang je niet gaat sparren met iemand als haar bootcamptrainer, die al twintig jaar aan mixed martial arts doet.[4]
  2. inergatief (figuurlijk) informeel met iemand overleggen over voors en tegens van mogelijke oplossingen
     Docenten zijn vaak nog in de avonduren werk aan het nakijken, waarover ze misschien willen sparren met collega’s.[5]

Zelfstandig naamwoord

sparren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord spar

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen

  1. "sparren" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. sparren op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Bronlink geraadpleegd op 15 januari 2020 Weblink bron Ellen Deckwitz “Kreupel” (4 juli 2019) op nrc.nl
  5. Bronlink geraadpleegd op 15 januari 2020 Weblink bron Dick ter Steege, geciteerd door Annelies Bontjes “Bijna helft werknemers bereikbaar buiten werktijd” (21 december 2019) op nrc.nl
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be