spansk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Deens

Bijvoeglijk naamwoord

spansk

  1. (demoniem) Spaans

Zelfstandig naamwoord

spansk

  1. (taal) Spaans


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • spansk

Bijvoeglijk naamwoord

spansk

  1. (demoniem) Spaans
    «Spansk politi har pågrepet tre datahackere som skal ha infisert hele 13 millioner PC-er med et virus.»
    De Spaanse politie heeft drie datahackers gearresteerd die een totaal van 13 miljoen computers met een virus besmet zouden hebben.
Verbuiging
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud spansk spanskere spanskest
o enkelvoud spansk
meervoud spanske
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
spanske spanskere spanskeste
Hyperoniemen

Zelfstandig naamwoord

spansk m / o

  1. (taal) Spaans
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   spansk     m: spansken
o: spansket  
  spansker     spanskene  
genitief   spansks     m: spanskens
o: spanskets  
  spanskers     spanskenes  
Verwante begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • spansk

Bijvoeglijk naamwoord

spansk

  1. (demoniem) Spaans
Verbuiging
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud spansk spanskare spanskast
o enkelvoud spansk
meervoud spanske
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
spanske spanskare spanskaste
Hyperoniemen

Zelfstandig naamwoord

spansk m

  1. (taal) Spaans
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   spansk     spansken     spanskar     spanskane  
genitief                
Verwante begrippen