Naar inhoud springen

spaken

Uit WikiWoordenboek
  • spa·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spaken
spaakte
gespaakt
zwak -t volledig [A]

[A] spaken

  1. overgankelijk met een staaf vastmaken of opwinden

[A] zich spaken

  1. wederkerend (verouderd) als voorbeeld nemen
  • [2] zich spaken aan

[B]despakenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord spaak
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spaken
spaakte
gespaakt
zwak -t volledig [B]

[B] spaken

  1. ergatief zo sterk verdrogen dat barsten ontstaan
98 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[5]