spaken
Uiterlijk
- spa·ken
- [A] ww afgeleid van spaak zn met het achtervoegsel -en [1] [2]
- [B] van Middelnederlands spaken [3] [4]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| spaken |
spaakte |
gespaakt |
| zwak -t | volledig | [A] |
[A] spaken
- overgankelijk met een staaf vastmaken of opwinden
[A] zich spaken
- wederkerend (verouderd) als voorbeeld nemen
- [2] zich spiegelen
- [2] zich spaken aan
[B] de spaken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord spaak
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| spaken |
spaakte |
gespaakt |
| zwak -t | volledig | [B] |
[B] spaken
- ergatief zo sterk verdrogen dat barsten ontstaan
- Het woord spaken staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "spaken" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 96 % | van de Vlamingen.[5] |
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -en in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-t) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Wederkerend werkwoord in het Nederlands
- Verouderd in het Nederlands
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- Ergatief werkwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 98 %
- Prevalentie Vlaanderen 96 %