spaarder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spaar·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spaarder spaarders
verkleinwoord spaardertje spaardertjes

Zelfstandig naamwoord

spaarder m

  1. iemand met geld op een spaarrekening
    • Dankzij het depositogarantiestelsel behielden kleine spaarders hun geld toen de bank failliet ging. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.