sournois

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frans

Uitspraak
Woordafbreking
  • sour·nois
Woordherkomst en -opbouw
  enkelvoud meervoud
  mannelijk   sournois sournois
  vrouwelijk   sournoise sournoises

Bijvoeglijk naamwoord

sournois

  1. arglistig, achterbaks, gluiperig
    «Je porte le fardeau de ce virus sournois qui touche arbitrairement, effleure, harponne ou tue, aléatoirement, tel le sniper dans la rue.»[2]
    Ik draag de last van dit gluiperige virus dat willekeurig raakt, schampt, harpoeneert of doodt, toevallig, zoals de sluipschutter op straat.
  2. heimelijk, stiekem

Zelfstandig naamwoord

sournois m

  1. gluiperd
  2. stiekemerd

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron sournois in: Le Trésor de la langue française informatisé (TLFi) (1971–1994) op cnrtl.fr
  2. Bronlink geraadpleegd op 7 juni 2021 Weblink bron Caroline Ballereau “« Paroles de lecteurs » - Dans les profondeurs d’un Covid long” (24 mei 2021) op lemonde.fr